In Tilligte(nabij Ootmarsum) bestond reeds voor 1320 een hofstede Borchgrevinck. In 1320 is knaap Gerardus Borichgrevinc eigenaar van de hofstede. Zijn kinderen zijn Hadewig, Golda, Jutta, Jan, Willem en Gerard. De laatste was priester in 1369 en later “canonicus thesauri capitularis” in Oldenzaal waar hij in 1389 overleed. Zijn zegel (1359) toont een schuin verdeeld schild met een verhoogde hond.

Bisschop Johannes benoemt  zijn klerk Gerardus Borchgrevinc tot vicaris van het altaar van S. Laurens in de kerk van het kapittel van Sint Pieter te Utrecht, daar de collatie wegens de langdurige vacature volgens de bepalingen van het Lateraansche concilie aan hem is vervallen. Met een akte van dezelfde dag, waarbij de bisschop het kapittel gelast de benoemde als zodanig te ontvangen. 1369.

De hofstede Borchgrevinck  wordt in 1332 verkocht aan de Ridderlijke Duitse Orde (gesticht in 1190 ten tijde van de kruistochten  bij het beleg van Akko) en daarna, tot 1811, steeds verpacht. Vele bewoners noemen zich vervolgens Borggrevink, Borggreve of Olde Borggreve. Hier begint een stamreeks met Jan (geb circa 1640).

Terug naar de 14e eeuw.  In het schoutambt Vollenhove blijkt uit het leenregister dat in 1379 Dirijc die Borchgreve (ovl 1393) gehuwd is met Aleyt van Oestenwolde (ovl 1420). Kinderen zijn Deric (ovl 1423) en  Johan/Jan (ovl 1449).

Jacobus Borchgreving is in 1453 deken van de St. Plechelmusbasiliek in Oldenzaal. Zijn zegel toont een vertikaal gedeeld schild met een rennende hond.  Peter Borchgreving te Velthausen heeft in 1458 een zegel met een rechtopstaande hond. In 1473 is Gerhardus Borchgreving pastoor in Emlichheim.

Volgens Bloys van Treslong Prins in “Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de Kerken der Provincie Utrecht (1911)” is in de Janskerk te Utrecht in het hok waar de brandstoffen worden bewaard een grafsteen (nr 30)  van Fran. Rodius (ovl 9-9-1591), zijn echtgenote Maria Borchgrevinck (ovl 5-6-1598) en zijn schoonouders Melchior Jacobi Borchgrevink (ovl 15-6-1581) en Maria Joannis (12-12-1583).  Onderaan twee wapens:  drie bomen (2 en 1) en een gaande wolf.

In deze tijd wordt Bonaventura Borchgrevinck op 1 januari 1587 tot kapelmeester benoemd aan het hof te Kopenhagen en zijn zoon Melchior vermeld als instrumentist. Melchior studeerde in Venetië in de periode 1599-1602 en wordt op zijn beurt kapelmeester op 30 januari 1618. (Navorscher 1870). Hij overleed op 20 december 1632 en was een bekend componist. Zie wikipedia. Hij is de stamvader van het  Deens-Noors geslacht Borchgrevinck waar Carsten Borchgrevink (1864-1934) poolonderzoeker deel van uit maakt.

In Emlichheim wordt in 1602 bij een leenoverschrijving van het “ goet tot Kerchofftererve” Henrick Borckgreve vermeld, echtgenoot van Beerte Krul(s). Een kleinere genealogie vangt aan met Hendrik Borggreve (ca 1650) te Veldhausen.

De overeenkomsten in diverse zegels en wapenschilden geven aan dat er in de 14e t/m 16e eeuw een invloedrijke familie Borchgrevinck woonachtig en afkomstig uit Twente. Daarna lijkt zij aldaar vrijwel verdwenen te zijn. 

Vanuit Ootmarsum zijn ook kinderen van Jan Borggrevink naar Amsterdam vertrokken. Hiervan is er een klein fragment.

Bij het samenstellen van de diverse parentelen is dankbaar gebruikt gemaakt van doop- en trouwboek transcripties  van Ootmarsum, de kwartierstaten van Frank Steggink, verzamelde gegevens van Simon Burggraaf, de gepubliceerde kwartierstaat van dhr  K.A. Reuvers en de Ortfamilienbücher over Neuenhaus, Veldhausen, Uelsen en Nordhorn.

 

   
© jan burggraaf