Toen Pieter Jodocus de Borchgrave (1758-1819) uit het Westvlaamse Wakken stierf, had hij zich de naam verworven Vlaanderens grootste dichter van zijn tijd te zijn geweest.

Zijn belangstelling ging aanvankelijk vooral uit naar het toneel. Hij was niet alleen een gevierd toneelspeler, hij schreef ook voor het toneel. Om enkele data en titels te noemen: van 1782 dateert zijn blijspel De vrugtelooze bewaeking, van 1795 zijn treurspel Den Schildwacht Nelzon of de beproefde liefde. In 1804 behaalde hij de eerste prijs in een door de Tieltse kamer uitgeschreven prijsvraag over de oorsprong van de dichtgenootschappen. Hij schreef er nog meer, bewijs dat hij zich in deze milieus goed thuis voelde. Wij komen nog op hem terug. - Aan een figuur als De Borchgrave demonstreert zich de overgang van klassicisme naar vroege romantiek, een voorkeur voor het sentimentele en voor vrijheidsopvattingen. Zijn Ode aen de vryheyd (1790) vertolkt zijn vrijheidsopvattingen, zijn gedicht De Belgen (1810) zijn nationale gevoelens, zijn Dood en onsterflykheid (1818-1819) vordert niet minder dan twaalf zangen om elegisch-meditatief het onderwerp uit de ‘gevoelige’ sfeer recht te doen.

De Borchgrave wordt door een hedendaags kritisch onderzoeker gerekend tot de ‘beste en meest taalbewuste dichters uit de Franse tijd’. Hij was zelf ook wel van een en ander bijzonder overtuigd, getuige zijn verontwaardiging toen hij - om een zijns inziens niet geldige reden - niet bekroond werd voor zijn inzending aan De Fonteine te Gent in 1812.

Uiteraard doen de vrijheidsidealen zich gelden met betrekking tot het ‘nationale’ in breedste zin: verheerlijking van de moedertaal en van het voorgeslacht: Willem Frans Verhoeven voltooide in 1809 zijn in 1795 begonnen Belgiade, volgens hemzelf ‘'t eerste heldendicht dat onze landaard heeft’; dat de voltooiing enige tijd vorderde is begrijpelijk: het werk, waarin Napoleon nadrukkelijk verheerlijkt wordt, telt niet minder dan tweeëntwintigduizend versregels. Te Winkel, die het handschrift gelezen schijnt te hebben, verzekert dat het allesbehalve een meesterwerk is. De Westvlaming Amandus Messiaen schrijft De vereerlycte Belgen (verschenen 1809), en de Catharinisten te Aalst organiseren een prijskamp over het onderwerp ‘De lof der Belgen’: de bekroning die pas in 1810 plaats vond, kende prijzen toe aan De Borchgrave voor zijn al genoemd gedicht in alexandrijnen De Belgen, aan David de Simpel, en aan Augustinus van de Poel, dorpsgenoot van De Borchgrave. Dat is dus allemaal enkele jaren vóór 1812, het jaar waarin Helmers' De Holland sche Natie verschijnt, dat sterk de belangstelling van de in dit opzicht overigens geavanceerde Vlamingen trok.

Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Deel 3

auteur: G.P.M. Knuvelder

bron: www.dbnl.org/tekst

   
© jan burggraaf